12 Maar de man zei tegen Joab: ‘Al kreeg ik 1000 zilverstukken, ik zou mijn hand niet uitsteken tegen de zoon van de koning. We hebben de koning namelijk tegen u en tegen Abi̱saï en I̱ttai horen zeggen: “Zorg ervoor dat niemand de jongen, Absalom, iets aandoet.”+