38 En van de stam Gad:+ een vluchtstad voor personen die iemand hadden gedood, namelijk Ra̱moth (in Gilead)+ met de omliggende weidegrond, ook Mahana̱ïm+ met weidegrond,
2 In het derde jaar ging koning Josafat+ van Juda naar de koning van Israël.+3 Toen zei de koning van Israël tegen zijn dienaren: ‘Weten jullie wel dat Ra̱moth-Gilead+ van ons is? En toch aarzelen we om het te heroveren op de koning van Syrië.’