27 Toen zei de koning tegen de priester Za̱dok: ‘Je bent toch een ziener?+ Ga in vrede naar de stad terug, samen met je zoon Ahima̱äz en A̱bjathars zoon Jonathan.+
19 Ahima̱äz,+ de zoon van Za̱dok, zei: ‘Mag ik snel naar de koning gaan om hem het nieuws te vertellen? Want Jehovah heeft hem recht gedaan door hem van zijn vijanden te verlossen.’+